Stofzuigen, wassen en strijken. Deze en meer huishoudelijke taken bespreekt Joyce Diebels van Dutch with Joyce in deze nieuwe aflevering van Leer Nederlands over het huishouden.
Woorden en zinnen uit les 75: het huishouden
| Engels | Nederlands |
| the household | (het) huishouden |
| to vacuum | stofzuigen |
| I have to vacuum the living room today. | Ik moet vandaag de woonkamer stofzuigen. |
| to dust | afstoffen |
| Don’t forget to dust the shelves. | Vergeet niet de planken af te stoffen. |
| to tidy up | opruimen |
| We need to tidy up the kitchen after cooking. | We moeten de keuken opruimen na het koken. |
| to mop | dweilen |
| I mop the floor every week. | Ik dweil de vloer elke week. |
| a soapy water | (het) sopje |
| I make a soapy water to clean the table. | Ik maak een sopje om de tafel schoon te maken. |
| sorting out | uitsorteren |
| Can you sort the black and white clothes? | Kun jij de witte en zwarte was uitsorteren? |
| to wash your clothes | wassen |
| The washing machine is running the wash with the towels. | De wasmachine draait de was met de handdoeken. |
| I wash the dirty clothes. | Ik was de vieze kleren. |
| washing the dirty dishes | afwassen |
| We wash the dirty plates or put them in the dishwasher. | Wij wassen de vieze borden af of zetten ze in de vaatwasser. |
| ironing | strijken |
| I don’t feel like ironing tonight. | Ik heb geen zin om vanavond te strijken. |
| bin bag | (de) vuilniszak |
| The bin bag needs to go outside and be replaced. | De vuilniszak moet naar buiten en vervangen worden. |
Share





